NL: uitputtenSynoniemen: verzwakken, afmatten, vermoeien, slopen, verslappen
EN: uitputten (moe maken): fatigue, wear out, tire out
FR: uitputten (moe maken): épuiser, fatiguer, exténuer, dépérir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgeput
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik put uit jij put uit hij put uit wij putten uit jullie putten uit zij putten uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgeput jij hebt uitgeput hij heeft uitgeput wij hebben uitgeput jullie hebben uitgeput zij hebben uitgeput
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik putte uit jij putte uit hij putte uit wij putten uit jullie putten uit zij putten uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgeput jij had uitgeput hij had uitgeput wij hadden uitgeput jullie hadden uitgeput zij hadden uitgeput
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitputten jij zult uitputten hij zal uitputten wij zullen uitputten jullie zullen uitputten zij zullen uitputten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgeput hebben jij zult uitgeput hebben hij zal uitgeput hebben wij zullen uitgeput hebben jullie zullen uitgeput hebben zij zullen uitgeput hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitputten jij zou uitputten hij zou uitputten wij zouden uitputten jullie zouden uitputten zij zouden uitputten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgeput hebben jij zou uitgeput hebben hij zou uitgeput hebben wij zouden uitgeput hebben jullie zouden uitgeput hebben zij zouden uitgeput hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
put uit
|