NL: uitmuntenSynoniemen: excelleren, uitblinken, voorbijstreven, overtreffen, uitsteken, schitteren, onderscheiden
DE: uitmunten (uitblinken): spielen, hinausragen, sich unterscheiden, strahlen, hinausragenüber, scheinen, leuchten, spiegeln, glühen, glänzen, sichauszeichnen, sich hervortun
EN: uitmunten (uitblinken): outshine
ES: uitmunten (uitblinken): distinguirse, sobresalir
FR: uitmunten (uitblinken): exceller, briller
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgemunt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik munt uit jij munt uit hij munt uit wij munten uit jullie munten uit zij munten uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgemunt jij hebt uitgemunt hij heeft uitgemunt wij hebben uitgemunt jullie hebben uitgemunt zij hebben uitgemunt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik muntte uit jij muntte uit hij muntte uit wij muntten uit jullie muntten uit zij muntten uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgemunt jij had uitgemunt hij had uitgemunt wij hadden uitgemunt jullie hadden uitgemunt zij hadden uitgemunt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitmunten jij zult uitmunten hij zal uitmunten wij zullen uitmunten jullie zullen uitmunten zij zullen uitmunten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgemunt hebben jij zult uitgemunt hebben hij zal uitgemunt hebben wij zullen uitgemunt hebben jullie zullen uitgemunt hebben zij zullen uitgemunt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitmunten jij zou uitmunten hij zou uitmunten wij zouden uitmunten jullie zouden uitmunten zij zouden uitmunten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgemunt hebben jij zou uitgemunt hebben hij zou uitgemunt hebben wij zouden uitgemunt hebben jullie zouden uitgemunt hebben zij zouden uitgemunt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
munt uit
|