NL: uitlokkenSynoniemen: ophitsen, provoceren, teweegbrengen, uitdagen, verleiden
DE: aufregen, anreizen, herausfordern, provozieren, aufhetzen, herauslocken, veranlassen, reizen, anregen, hervorrufen, verursachen, ermuntern, aufstacheln, erwecken, aufmuntern
EN: provoke, give rise to, needle, bait, badger
ES: picar, provocar, incitar, animar, afrontar, pinchar, desafiar, causar, suscitar, estimular, atormentar, instigar, chancear, importunar, hostigar
FR: susciter, provoquer, inciter à
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgelokt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik lok uit jij lokt uit hij lokt uit wij lokken uit jullie lokken uit zij lokken uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgelokt jij hebt uitgelokt hij heeft uitgelokt wij hebben uitgelokt jullie hebben uitgelokt zij hebben uitgelokt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik lokte uit jij lokte uit hij lokte uit wij lokten uit jullie lokten uit zij lokten uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgelokt jij had uitgelokt hij had uitgelokt wij hadden uitgelokt jullie hadden uitgelokt zij hadden uitgelokt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitlokken jij zult uitlokken hij zal uitlokken wij zullen uitlokken jullie zullen uitlokken zij zullen uitlokken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgelokt hebben jij zult uitgelokt hebben hij zal uitgelokt hebben wij zullen uitgelokt hebben jullie zullen uitgelokt hebben zij zullen uitgelokt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitlokken jij zou uitlokken hij zou uitlokken wij zouden uitlokken jullie zouden uitlokken zij zouden uitlokken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgelokt hebben jij zou uitgelokt hebben hij zou uitgelokt hebben wij zouden uitgelokt hebben jullie zouden uitgelokt hebben zij zouden uitgelokt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
lok uit
|