NL: uitlijnenSynoniemen: richten, uitbalanceren
DE: gleichrichten, auswuchten, ausbalancieren
EN: align, line up
ES: alinear
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgelijnd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik lijn uit jij lijnt uit hij lijnt uit wij lijnen uit jullie lijnen uit zij lijnen uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgelijnd jij hebt uitgelijnd hij heeft uitgelijnd wij hebben uitgelijnd jullie hebben uitgelijnd zij hebben uitgelijnd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik lijnde uit jij lijnde uit hij lijnde uit wij lijnden uit jullie lijnden uit zij lijnden uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgelijnd jij had uitgelijnd hij had uitgelijnd wij hadden uitgelijnd jullie hadden uitgelijnd zij hadden uitgelijnd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitlijnen jij zult uitlijnen hij zal uitlijnen wij zullen uitlijnen jullie zullen uitlijnen zij zullen uitlijnen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgelijnd hebben jij zult uitgelijnd hebben hij zal uitgelijnd hebben wij zullen uitgelijnd hebben jullie zullen uitgelijnd hebben zij zullen uitgelijnd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitlijnen jij zou uitlijnen hij zou uitlijnen wij zouden uitlijnen jullie zouden uitlijnen zij zouden uitlijnen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgelijnd hebben jij zou uitgelijnd hebben hij zou uitgelijnd hebben wij zouden uitgelijnd hebben jullie zouden uitgelijnd hebben zij zouden uitgelijnd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
lijn uit
|