NL: uitlevenSynoniemen: afreageren, botvieren
DE: uitleven (uit de band springen): sich ausleben, durchgehen
EN: uitleven (uit de band springen): go on a razzle, go on a spree, let one's hair down
ES: uitleven (uit de band springen): echar una cana al aire, soltarse el pelo
FR: uitleven (uit de band springen): se défouler, se défoncer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgeleefd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik leef uit jij leeft uit hij leeft uit wij leven uit jullie leven uit zij leven uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgeleefd jij hebt uitgeleefd hij heeft uitgeleefd wij hebben uitgeleefd jullie hebben uitgeleefd zij hebben uitgeleefd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik leefde uit jij leefde uit hij leefde uit wij leefden uit jullie leefden uit zij leefden uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgeleefd jij had uitgeleefd hij had uitgeleefd wij hadden uitgeleefd jullie hadden uitgeleefd zij hadden uitgeleefd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitleven jij zult uitleven hij zal uitleven wij zullen uitleven jullie zullen uitleven zij zullen uitleven
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgeleefd hebben jij zult uitgeleefd hebben hij zal uitgeleefd hebben wij zullen uitgeleefd hebben jullie zullen uitgeleefd hebben zij zullen uitgeleefd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitleven jij zou uitleven hij zou uitleven wij zouden uitleven jullie zouden uitleven zij zouden uitleven
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgeleefd hebben jij zou uitgeleefd hebben hij zou uitgeleefd hebben wij zouden uitgeleefd hebben jullie zouden uitgeleefd hebben zij zouden uitgeleefd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
leef uit
|