NL: uiteengaanSynoniemen: scheiden, , uitsplitsen, splitsen, loskoppelen
FR: la séparation
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uiteengegaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ga uiteen jij gaat uiteen hij gaat uiteen wij gaan uiteen jullie gaan uiteen zij gaan uiteen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik ben uiteengegaan jij bent uiteengegaan hij is uiteengegaan wij zijn uiteengegaan jullie zijn uiteengegaan zij zijn uiteengegaan
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ging uiteen jij ging uiteen hij ging uiteen wij gingen uiteen jullie gingen uiteen zij gingen uiteen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik was uiteengegaan jij was uiteengegaan hij was uiteengegaan wij waren uiteengegaan jullie waren uiteengegaan zij waren uiteengegaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uiteengaan jij zult uiteengaan hij zal uiteengaan wij zullen uiteengaan jullie zullen uiteengaan zij zullen uiteengaan
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uiteengegaan zijn jij zult uiteengegaan zijn hij zal uiteengegaan zijn wij zullen uiteengegaan zijn jullie zullen uiteengegaan zijn zij zullen uiteengegaan zijn
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uiteengaan jij zou uiteengaan hij zou uiteengaan wij zouden uiteengaan jullie zouden uiteengaan zij zouden uiteengaan
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uiteengegaan zijn jij zou uiteengegaan zijn hij zou uiteengegaan zijn wij zouden uiteengegaan zijn jullie zouden uiteengegaan zijn zij zouden uiteengegaan zijn
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ga uiteen
|