NL: uitdovenSynoniemen: blussen, doden, doven, uitblussen, uitmaken, uitdoen, smoren
DE: uitdoven (doven): erlöschen, löschen, ausmachen, ausschalten, ersticken, schmoren, auslöschen, ablöschen
EN: uitdoven (doven): extinguish, put out
ES: uitdoven (doven): extinguir, apagar, ahogar, apagarse, extinguirse
FR: uitdoven (doven): éteindre, étuver, étouffer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgedoofd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik doof uit jij dooft uit hij dooft uit wij doven uit jullie doven uit zij doven uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgedoofd jij hebt uitgedoofd hij heeft uitgedoofd wij hebben uitgedoofd jullie hebben uitgedoofd zij hebben uitgedoofd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik doofde uit jij doofde uit hij doofde uit wij doofden uit jullie doofden uit zij doofden uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgedoofd jij had uitgedoofd hij had uitgedoofd wij hadden uitgedoofd jullie hadden uitgedoofd zij hadden uitgedoofd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitdoven jij zult uitdoven hij zal uitdoven wij zullen uitdoven jullie zullen uitdoven zij zullen uitdoven
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgedoofd hebben jij zult uitgedoofd hebben hij zal uitgedoofd hebben wij zullen uitgedoofd hebben jullie zullen uitgedoofd hebben zij zullen uitgedoofd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitdoven jij zou uitdoven hij zou uitdoven wij zouden uitdoven jullie zouden uitdoven zij zouden uitdoven
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgedoofd hebben jij zou uitgedoofd hebben hij zou uitgedoofd hebben wij zouden uitgedoofd hebben jullie zouden uitgedoofd hebben zij zouden uitgedoofd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
doof uit
|