NL: uitdossenSynoniemen: aankleden, optutten, opdoffen, opdirken
DE: uitdossen (optutten): ausschmücken, aufdonnern, zurechtmachen, aufputzen, herausputzen, feinmachen
EN: uitdossen (optutten): dress up, doll up
ES: uitdossen (optutten): adornar, pulir, engalanar, embellecer, abrillantar, bruñir, sacar brillo, sacar brillo a
FR: uitdossen (optutten): se pomponner, se bichonner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgedost
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik dos uit jij dost uit hij dost uit wij dossen uit jullie dossen uit zij dossen uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgedost jij hebt uitgedost hij heeft uitgedost wij hebben uitgedost jullie hebben uitgedost zij hebben uitgedost
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik doste uit jij doste uit hij doste uit wij dosten uit jullie dosten uit zij dosten uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgedost jij had uitgedost hij had uitgedost wij hadden uitgedost jullie hadden uitgedost zij hadden uitgedost
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitdossen jij zult uitdossen hij zal uitdossen wij zullen uitdossen jullie zullen uitdossen zij zullen uitdossen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgedost hebben jij zult uitgedost hebben hij zal uitgedost hebben wij zullen uitgedost hebben jullie zullen uitgedost hebben zij zullen uitgedost hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitdossen jij zou uitdossen hij zou uitdossen wij zouden uitdossen jullie zouden uitdossen zij zouden uitdossen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgedost hebben jij zou uitgedost hebben hij zou uitgedost hebben wij zouden uitgedost hebben jullie zouden uitgedost hebben zij zouden uitgedost hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
dos uit
|