NL: uitdokterenSynoniemen: bedenken, uitknobbelen, uitkienen, uitdenken
EN: uitdokteren (uitknobbelen): figure out, puzzle out
FR: uitdokteren (uitknobbelen): inventer, concocter, imaginer, fabriquer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgedokterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik dokter uit jij doktert uit hij doktert uit wij dokteren uit jullie dokteren uit zij dokteren uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgedokterd jij hebt uitgedokterd hij heeft uitgedokterd wij hebben uitgedokterd jullie hebben uitgedokterd zij hebben uitgedokterd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik dokterde uit jij dokterde uit hij dokterde uit wij dokterden uit jullie dokterden uit zij dokterden uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgedokterd jij had uitgedokterd hij had uitgedokterd wij hadden uitgedokterd jullie hadden uitgedokterd zij hadden uitgedokterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitdokteren jij zult uitdokteren hij zal uitdokteren wij zullen uitdokteren jullie zullen uitdokteren zij zullen uitdokteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgedokterd hebben jij zult uitgedokterd hebben hij zal uitgedokterd hebben wij zullen uitgedokterd hebben jullie zullen uitgedokterd hebben zij zullen uitgedokterd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitdokteren jij zou uitdokteren hij zou uitdokteren wij zouden uitdokteren jullie zouden uitdokteren zij zouden uitdokteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgedokterd hebben jij zou uitgedokterd hebben hij zou uitgedokterd hebben wij zouden uitgedokterd hebben jullie zouden uitgedokterd hebben zij zouden uitgedokterd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
dokter uit
|