NL: uitdijenSynoniemen: expanderen, groeien, opzwellen, uitzwellen, uitdijing, , aanwas, aangroei, verwijden, verruimen, vermeerderen, verbreiden, uitbreiden, uitbouwen, openen, zwellen, rijzen, opzetten
DE: schwellen, anschwellen
EN: expand, swell
ES: crecer, hincharse
FR: gonfler, grossir, s'amplifier, se dilater, s'enfler, prendre du poids, prendre de l'expansion, prendre de l'ampleur
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgedijd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik dij uit jij dijt uit hij dijt uit wij dijen uit jullie dijen uit zij dijen uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgedijd jij hebt uitgedijd hij heeft uitgedijd wij hebben uitgedijd jullie hebben uitgedijd zij hebben uitgedijd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik dijde uit jij dijde uit hij dijde uit wij dijden uit jullie dijden uit zij dijden uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgedijd jij had uitgedijd hij had uitgedijd wij hadden uitgedijd jullie hadden uitgedijd zij hadden uitgedijd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitdijen jij zult uitdijen hij zal uitdijen wij zullen uitdijen jullie zullen uitdijen zij zullen uitdijen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgedijd hebben jij zult uitgedijd hebben hij zal uitgedijd hebben wij zullen uitgedijd hebben jullie zullen uitgedijd hebben zij zullen uitgedijd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitdijen jij zou uitdijen hij zou uitdijen wij zouden uitdijen jullie zouden uitdijen zij zouden uitdijen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgedijd hebben jij zou uitgedijd hebben hij zou uitgedijd hebben wij zouden uitgedijd hebben jullie zouden uitgedijd hebben zij zouden uitgedijd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
dij uit
|