Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

uitdagen vervoegen




NL: uitdagen
Synoniemen: oproepen, sarren, uitlokken, provoceren, ophitsen, zieken, treiteren, tergen, tarten, stangen, plagen, pesten, jennen

DE: uitdagen (sarren): ärgern, provozieren, triezen, striezen, piesacken, schikanieren, zusetzen, reizen
EN: uitdagen (sarren): nag
ES: uitdagen (sarren): provocar, fastidiar, irritar, hacer rabiar
FR: uitdagen (sarren): harceler, taquiner, enquiquiner, irriter, asticoter, agacer

U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
uitgedaagd
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik daag uit
jij daagt uit
hij daagt uit
wij dagen uit
jullie dagen uit
zij dagen uit
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb uitgedaagd
jij hebt uitgedaagd
hij heeft uitgedaagd
wij hebben uitgedaagd
jullie hebben uitgedaagd
zij hebben uitgedaagd
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik daagde uit
jij daagde uit
hij daagde uit
wij daagden uit
jullie daagden uit
zij daagden uit
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had uitgedaagd
jij had uitgedaagd
hij had uitgedaagd
wij hadden uitgedaagd
jullie hadden uitgedaagd
zij hadden uitgedaagd
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal uitdagen
jij zult uitdagen
hij zal uitdagen
wij zullen uitdagen
jullie zullen uitdagen
zij zullen uitdagen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal uitgedaagd hebben
jij zult uitgedaagd hebben
hij zal uitgedaagd hebben
wij zullen uitgedaagd hebben
jullie zullen uitgedaagd hebben
zij zullen uitgedaagd hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou uitdagen
jij zou uitdagen
hij zou uitdagen
wij zouden uitdagen
jullie zouden uitdagen
zij zouden uitdagen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou uitgedaagd hebben
jij zou uitgedaagd hebben
hij zou uitgedaagd hebben
wij zouden uitgedaagd hebben
jullie zouden uitgedaagd hebben
zij zouden uitgedaagd hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
daag uit

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/uitdagen

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald