NL: uitbroedenSynoniemen: bedenken, broeden, warmhouden
DE: brüten, warmhalten, ausbrüten
EN: hatch out
FR: couver
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgebroed
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik broed uit jij broedt uit hij broedt uit wij broeden uit jullie broeden uit zij broeden uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgebroed jij hebt uitgebroed hij heeft uitgebroed wij hebben uitgebroed jullie hebben uitgebroed zij hebben uitgebroed
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik broedde uit jij broedde uit hij broedde uit wij broedden uit jullie broedden uit zij broedden uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgebroed jij had uitgebroed hij had uitgebroed wij hadden uitgebroed jullie hadden uitgebroed zij hadden uitgebroed
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitbroeden jij zult uitbroeden hij zal uitbroeden wij zullen uitbroeden jullie zullen uitbroeden zij zullen uitbroeden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgebroed hebben jij zult uitgebroed hebben hij zal uitgebroed hebben wij zullen uitgebroed hebben jullie zullen uitgebroed hebben zij zullen uitgebroed hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitbroeden jij zou uitbroeden hij zou uitbroeden wij zouden uitbroeden jullie zouden uitbroeden zij zouden uitbroeden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgebroed hebben jij zou uitgebroed hebben hij zou uitgebroed hebben wij zouden uitgebroed hebben jullie zouden uitgebroed hebben zij zouden uitgebroed hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
broed uit
|