NL: uitbrekenSynoniemen: losbarsten, losbreken, slopen, ontsnapping, uitbraak, ontvluchting
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgebroken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik breek uit jij breekt uit hij breekt uit wij breken uit jullie breken uit zij breken uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgebroken jij hebt uitgebroken hij heeft uitgebroken wij hebben uitgebroken jullie hebben uitgebroken zij hebben uitgebroken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik brak uit jij brak uit hij brak uit wij braken uit jullie braken uit zij braken uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgebroken jij had uitgebroken hij had uitgebroken wij hadden uitgebroken jullie hadden uitgebroken zij hadden uitgebroken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitbreken jij zult uitbreken hij zal uitbreken wij zullen uitbreken jullie zullen uitbreken zij zullen uitbreken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgebroken hebben jij zult uitgebroken hebben hij zal uitgebroken hebben wij zullen uitgebroken hebben jullie zullen uitgebroken hebben zij zullen uitgebroken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitbreken jij zou uitbreken hij zou uitbreken wij zouden uitbreken jullie zouden uitbreken zij zouden uitbreken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgebroken hebben jij zou uitgebroken hebben hij zou uitgebroken hebben wij zouden uitgebroken hebben jullie zouden uitgebroken hebben zij zouden uitgebroken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
breek uit
|