| Vervoegen: uitbranden |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| uitgebrand |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik brand uit jij brandt uit hij brandt uit wij branden uit jullie branden uit zij branden uit |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb uitgebrand jij hebt uitgebrand hij heeft uitgebrand wij hebben uitgebrand jullie hebben uitgebrand zij hebben uitgebrand |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik brandde uit jij brandde uit hij brandde uit wij brandden uit jullie brandden uit zij brandden uit |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had uitgebrand jij had uitgebrand hij had uitgebrand wij hadden uitgebrand jullie hadden uitgebrand zij hadden uitgebrand |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal uitbranden jij zult uitbranden hij zal uitbranden wij zullen uitbranden jullie zullen uitbranden zij zullen uitbranden |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal uitgebrand hebben jij zult uitgebrand hebben hij zal uitgebrand hebben wij zullen uitgebrand hebben jullie zullen uitgebrand hebben zij zullen uitgebrand hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou uitbranden jij zou uitbranden hij zou uitbranden wij zouden uitbranden jullie zouden uitbranden zij zouden uitbranden |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou uitgebrand hebben jij zou uitgebrand hebben hij zou uitgebrand hebben wij zouden uitgebrand hebben jullie zouden uitgebrand hebben zij zouden uitgebrand hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| brand uit |