NL: uitbrakenSynoniemen: kotsen, spuwen, spugen, overgeven, braken, vomeren
ES: uitbraken (kotsen): vomitar, arrojar, cambiar la peseta, devolver
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgebraakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik braak uit jij braakt uit hij braakt uit wij braken uit jullie braken uit zij braken uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgebraakt jij hebt uitgebraakt hij heeft uitgebraakt wij hebben uitgebraakt jullie hebben uitgebraakt zij hebben uitgebraakt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik braakte uit jij braakte uit hij braakte uit wij braakten uit jullie braakten uit zij braakten uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgebraakt jij had uitgebraakt hij had uitgebraakt wij hadden uitgebraakt jullie hadden uitgebraakt zij hadden uitgebraakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitbraken jij zult uitbraken hij zal uitbraken wij zullen uitbraken jullie zullen uitbraken zij zullen uitbraken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgebraakt hebben jij zult uitgebraakt hebben hij zal uitgebraakt hebben wij zullen uitgebraakt hebben jullie zullen uitgebraakt hebben zij zullen uitgebraakt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitbraken jij zou uitbraken hij zou uitbraken wij zouden uitbraken jullie zouden uitbraken zij zouden uitbraken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgebraakt hebben jij zou uitgebraakt hebben hij zou uitgebraakt hebben wij zouden uitgebraakt hebben jullie zouden uitgebraakt hebben zij zouden uitgebraakt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
braak uit
|