NL: uitbloeienSynoniemen: afsterven
EN: cease blossoming
FR: se flétrir, se faner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgebloeid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bloei uit jij bloeit uit hij bloeit uit wij bloeien uit jullie bloeien uit zij bloeien uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgebloeid jij hebt uitgebloeid hij heeft uitgebloeid wij hebben uitgebloeid jullie hebben uitgebloeid zij hebben uitgebloeid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bloeide uit jij bloeide uit hij bloeide uit wij bloeiden uit jullie bloeiden uit zij bloeiden uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgebloeid jij had uitgebloeid hij had uitgebloeid wij hadden uitgebloeid jullie hadden uitgebloeid zij hadden uitgebloeid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitbloeien jij zult uitbloeien hij zal uitbloeien wij zullen uitbloeien jullie zullen uitbloeien zij zullen uitbloeien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgebloeid hebben jij zult uitgebloeid hebben hij zal uitgebloeid hebben wij zullen uitgebloeid hebben jullie zullen uitgebloeid hebben zij zullen uitgebloeid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitbloeien jij zou uitbloeien hij zou uitbloeien wij zouden uitbloeien jullie zouden uitbloeien zij zouden uitbloeien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgebloeid hebben jij zou uitgebloeid hebben hij zou uitgebloeid hebben wij zouden uitgebloeid hebben jullie zouden uitgebloeid hebben zij zouden uitgebloeid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bloei uit
|