NL: uitblazenSynoniemen: doven, op adem komen, uitademen
EN: uitblazen (uitademen): breathe out
FR: uitblazen (uitademen): expirer, souffler
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgeblazen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik blaas uit jij blaast uit hij blaast uit wij blazen uit jullie blazen uit zij blazen uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgeblazen jij hebt uitgeblazen hij heeft uitgeblazen wij hebben uitgeblazen jullie hebben uitgeblazen zij hebben uitgeblazen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik blies uit jij blies uit hij blies uit wij bliezen uit jullie bliezen uit zij bliezen uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgeblazen jij had uitgeblazen hij had uitgeblazen wij hadden uitgeblazen jullie hadden uitgeblazen zij hadden uitgeblazen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitblazen jij zult uitblazen hij zal uitblazen wij zullen uitblazen jullie zullen uitblazen zij zullen uitblazen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgeblazen hebben jij zult uitgeblazen hebben hij zal uitgeblazen hebben wij zullen uitgeblazen hebben jullie zullen uitgeblazen hebben zij zullen uitgeblazen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitblazen jij zou uitblazen hij zou uitblazen wij zouden uitblazen jullie zouden uitblazen zij zouden uitblazen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgeblazen hebben jij zou uitgeblazen hebben hij zou uitgeblazen hebben wij zouden uitgeblazen hebben jullie zouden uitgeblazen hebben zij zouden uitgeblazen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
blaas uit
|