NL: uitbijtenSynoniemen: uitlogen, uitvreten
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgebeten
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bijt uit jij bijt uit hij bijt uit wij bijten uit jullie bijten uit zij bijten uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgebeten jij hebt uitgebeten hij heeft uitgebeten wij hebben uitgebeten jullie hebben uitgebeten zij hebben uitgebeten
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik beet uit jij beet uit hij beet uit wij beten uit jullie beten uit zij beten uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgebeten jij had uitgebeten hij had uitgebeten wij hadden uitgebeten jullie hadden uitgebeten zij hadden uitgebeten
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitbijten jij zult uitbijten hij zal uitbijten wij zullen uitbijten jullie zullen uitbijten zij zullen uitbijten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgebeten hebben jij zult uitgebeten hebben hij zal uitgebeten hebben wij zullen uitgebeten hebben jullie zullen uitgebeten hebben zij zullen uitgebeten hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitbijten jij zou uitbijten hij zou uitbijten wij zouden uitbijten jullie zouden uitbijten zij zouden uitbijten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgebeten hebben jij zou uitgebeten hebben hij zou uitgebeten hebben wij zouden uitgebeten hebben jullie zouden uitgebeten hebben zij zouden uitgebeten hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bijt uit
|