NL: uitbenenSynoniemen: villen, stropen, afstropen, afhalen
DE: uitbenen (villen): enthäuten, abdecken, schinden, abhäuten
EN: uitbenen (villen): poach, bone, skin, flay
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
uitgebeend
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik been uit jij beent uit hij beent uit wij benen uit jullie benen uit zij benen uit
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb uitgebeend jij hebt uitgebeend hij heeft uitgebeend wij hebben uitgebeend jullie hebben uitgebeend zij hebben uitgebeend
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik beende uit jij beende uit hij beende uit wij beenden uit jullie beenden uit zij beenden uit
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had uitgebeend jij had uitgebeend hij had uitgebeend wij hadden uitgebeend jullie hadden uitgebeend zij hadden uitgebeend
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal uitbenen jij zult uitbenen hij zal uitbenen wij zullen uitbenen jullie zullen uitbenen zij zullen uitbenen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal uitgebeend hebben jij zult uitgebeend hebben hij zal uitgebeend hebben wij zullen uitgebeend hebben jullie zullen uitgebeend hebben zij zullen uitgebeend hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou uitbenen jij zou uitbenen hij zou uitbenen wij zouden uitbenen jullie zouden uitbenen zij zouden uitbenen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou uitgebeend hebben jij zou uitgebeend hebben hij zou uitgebeend hebben wij zouden uitgebeend hebben jullie zouden uitgebeend hebben zij zouden uitgebeend hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
been uit
|