NL: tuimelenSynoniemen: buitelen, draaien, flikkeren, kelderen, kiepen, gevallen, vallen, kieperen
EN: fall, tumble, trip up, drop
ES: volcar, voltear, dar vueltas
FR: tomber, dégringoler, basculer, culbuter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getuimeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik tuimel jij tuimelt hij tuimelt wij tuimelen jullie tuimelen zij tuimelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getuimeld jij hebt getuimeld hij heeft getuimeld wij hebben getuimeld jullie hebben getuimeld zij hebben getuimeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik tuimelde jij tuimelde hij tuimelde wij tuimelden jullie tuimelden zij tuimelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getuimeld jij had getuimeld hij had getuimeld wij hadden getuimeld jullie hadden getuimeld zij hadden getuimeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal tuimelen jij zult tuimelen hij zal tuimelen wij zullen tuimelen jullie zullen tuimelen zij zullen tuimelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getuimeld hebben jij zult getuimeld hebben hij zal getuimeld hebben wij zullen getuimeld hebben jullie zullen getuimeld hebben zij zullen getuimeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou tuimelen jij zou tuimelen hij zou tuimelen wij zouden tuimelen jullie zouden tuimelen zij zouden tuimelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getuimeld hebben jij zou getuimeld hebben hij zou getuimeld hebben wij zouden getuimeld hebben jullie zouden getuimeld hebben zij zouden getuimeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
tuimel
|