NL: trompettenSynoniemen: rondbazuinen, snotteren
EN: trumpet
FR: barrir, trompeter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getrompet
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik trompet jij trompet hij trompet wij trompetten jullie trompetten zij trompetten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getrompet jij hebt getrompet hij heeft getrompet wij hebben getrompet jullie hebben getrompet zij hebben getrompet
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik trompette jij trompette hij trompette wij trompetten jullie trompetten zij trompetten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getrompet jij had getrompet hij had getrompet wij hadden getrompet jullie hadden getrompet zij hadden getrompet
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal trompetten jij zult trompetten hij zal trompetten wij zullen trompetten jullie zullen trompetten zij zullen trompetten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getrompet hebben jij zult getrompet hebben hij zal getrompet hebben wij zullen getrompet hebben jullie zullen getrompet hebben zij zullen getrompet hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou trompetten jij zou trompetten hij zou trompetten wij zouden trompetten jullie zouden trompetten zij zouden trompetten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getrompet hebben jij zou getrompet hebben hij zou getrompet hebben wij zouden getrompet hebben jullie zouden getrompet hebben zij zouden getrompet hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
trompet
|