NL: trommelenSynoniemen: drummen, rammelen, roffelen
DE: trommelen (roffelen): trommeln, rasseln, wirbeln, einenWirbelschlagen
EN: trommelen (roffelen): play the drum, drum, beat the drum
ES: trommelen (roffelen): repercutir, tocar redobles
FR: trommelen (roffelen): tambouriner, battre le tambour, battre la caisse
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getrommeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik trommel jij trommelt hij trommelt wij trommelen jullie trommelen zij trommelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getrommeld jij hebt getrommeld hij heeft getrommeld wij hebben getrommeld jullie hebben getrommeld zij hebben getrommeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik trommelde jij trommelde hij trommelde wij trommelden jullie trommelden zij trommelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getrommeld jij had getrommeld hij had getrommeld wij hadden getrommeld jullie hadden getrommeld zij hadden getrommeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal trommelen jij zult trommelen hij zal trommelen wij zullen trommelen jullie zullen trommelen zij zullen trommelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getrommeld hebben jij zult getrommeld hebben hij zal getrommeld hebben wij zullen getrommeld hebben jullie zullen getrommeld hebben zij zullen getrommeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou trommelen jij zou trommelen hij zou trommelen wij zouden trommelen jullie zouden trommelen zij zouden trommelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getrommeld hebben jij zou getrommeld hebben hij zou getrommeld hebben wij zouden getrommeld hebben jullie zouden getrommeld hebben zij zouden getrommeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
trommel
|