NL: troetelenSynoniemen: knuffelen, koesteren, verwennen, vertroetelen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getroeteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik troetel jij troetelt hij troetelt wij troetelen jullie troetelen zij troetelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getroeteld jij hebt getroeteld hij heeft getroeteld wij hebben getroeteld jullie hebben getroeteld zij hebben getroeteld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik troetelde jij troetelde hij troetelde wij troetelden jullie troetelden zij troetelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getroeteld jij had getroeteld hij had getroeteld wij hadden getroeteld jullie hadden getroeteld zij hadden getroeteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal troetelen jij zult troetelen hij zal troetelen wij zullen troetelen jullie zullen troetelen zij zullen troetelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getroeteld hebben jij zult getroeteld hebben hij zal getroeteld hebben wij zullen getroeteld hebben jullie zullen getroeteld hebben zij zullen getroeteld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou troetelen jij zou troetelen hij zou troetelen wij zouden troetelen jullie zouden troetelen zij zouden troetelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getroeteld hebben jij zou getroeteld hebben hij zou getroeteld hebben wij zouden getroeteld hebben jullie zouden getroeteld hebben zij zouden getroeteld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
troetel
|