NL: treuzelenSynoniemen: dralen, talmen, zeuren, zeiken, zaniken, teuten, hannesen, druilen, drentelen, aarzelen
EN: linger, tarry, waffle, loiter, dawdle
FR: traîner, lambiner, fainéanter, traînasser, traînailler, faire traîner les choses en longueur
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getreuzeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik treuzel jij treuzelt hij treuzelt wij treuzelen jullie treuzelen zij treuzelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getreuzeld jij hebt getreuzeld hij heeft getreuzeld wij hebben getreuzeld jullie hebben getreuzeld zij hebben getreuzeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik treuzelde jij treuzelde hij treuzelde wij treuzelden jullie treuzelden zij treuzelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getreuzeld jij had getreuzeld hij had getreuzeld wij hadden getreuzeld jullie hadden getreuzeld zij hadden getreuzeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal treuzelen jij zult treuzelen hij zal treuzelen wij zullen treuzelen jullie zullen treuzelen zij zullen treuzelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getreuzeld hebben jij zult getreuzeld hebben hij zal getreuzeld hebben wij zullen getreuzeld hebben jullie zullen getreuzeld hebben zij zullen getreuzeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou treuzelen jij zou treuzelen hij zou treuzelen wij zouden treuzelen jullie zouden treuzelen zij zouden treuzelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getreuzeld hebben jij zou getreuzeld hebben hij zou getreuzeld hebben wij zouden getreuzeld hebben jullie zouden getreuzeld hebben zij zouden getreuzeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
treuzel
|