NL: treurenSynoniemen: droevig zijn, jammeren, kwijnen
DE: trauern, betrübt sein
EN: grieve
FR: être triste, être affligé, pleurer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getreurd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik treur jij treurt hij treurt wij treuren jullie treuren zij treuren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getreurd jij hebt getreurd hij heeft getreurd wij hebben getreurd jullie hebben getreurd zij hebben getreurd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik treurde jij treurde hij treurde wij treurden jullie treurden zij treurden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getreurd jij had getreurd hij had getreurd wij hadden getreurd jullie hadden getreurd zij hadden getreurd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal treuren jij zult treuren hij zal treuren wij zullen treuren jullie zullen treuren zij zullen treuren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getreurd hebben jij zult getreurd hebben hij zal getreurd hebben wij zullen getreurd hebben jullie zullen getreurd hebben zij zullen getreurd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou treuren jij zou treuren hij zou treuren wij zouden treuren jullie zouden treuren zij zouden treuren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getreurd hebben jij zou getreurd hebben hij zou getreurd hebben wij zouden getreurd hebben jullie zouden getreurd hebben zij zouden getreurd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
treur
|