NL: trekkenSynoniemen: aanlokken, extraheren, halen, krijgen, migreren, rondreizen, rukken, voorttrekken, slepen, boegseren, zwerven, reizen, rondtrekken
DE: dahinziehen, treideln, weiterziehen, fortziehen
EN: draw, drag along, pull, lug, haul
ES: arrastrar, acarrear
FR: tirer, tracter, entraîner, traîner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getrokken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik trek jij trekt hij trekt wij trekken jullie trekken zij trekken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getrokken jij hebt getrokken hij heeft getrokken wij hebben getrokken jullie hebben getrokken zij hebben getrokken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik trok jij trok hij trok wij trokken jullie trokken zij trokken
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getrokken jij had getrokken hij had getrokken wij hadden getrokken jullie hadden getrokken zij hadden getrokken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal trekken jij zult trekken hij zal trekken wij zullen trekken jullie zullen trekken zij zullen trekken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getrokken hebben jij zult getrokken hebben hij zal getrokken hebben wij zullen getrokken hebben jullie zullen getrokken hebben zij zullen getrokken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou trekken jij zou trekken hij zou trekken wij zouden trekken jullie zouden trekken zij zouden trekken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getrokken hebben jij zou getrokken hebben hij zou getrokken hebben wij zouden getrokken hebben jullie zouden getrokken hebben zij zouden getrokken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
trek
|