NL: treinenSynoniemen: treinstellen
DE: treinen (met de trein reizen): mit dem Zug reisen
EN: treinen (met de trein reizen): go by train, travel by train
ES: treinen (met de trein reizen): viajar en tren
FR: treinen (met de trein reizen): prendre le train, voyager en train
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getreind
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik trein jij treint hij treint wij treinen jullie treinen zij treinen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getreind jij hebt getreind hij heeft getreind wij hebben getreind jullie hebben getreind zij hebben getreind
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik treinde jij treinde hij treinde wij treinden jullie treinden zij treinden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getreind jij had getreind hij had getreind wij hadden getreind jullie hadden getreind zij hadden getreind
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal treinen jij zult treinen hij zal treinen wij zullen treinen jullie zullen treinen zij zullen treinen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getreind hebben jij zult getreind hebben hij zal getreind hebben wij zullen getreind hebben jullie zullen getreind hebben zij zullen getreind hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou treinen jij zou treinen hij zou treinen wij zouden treinen jullie zouden treinen zij zouden treinen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getreind hebben jij zou getreind hebben hij zou getreind hebben wij zouden getreind hebben jullie zouden getreind hebben zij zouden getreind hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
trein
|