NL: transporterenSynoniemen: overbrengen, overdragen, vervoeren, voeren
DE: transportieren, befördern, übertragen
EN: transport, carry
FR: transporter, déplacer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getransporteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik transporteer jij transporteert hij transporteert wij transporteren jullie transporteren zij transporteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getransporteerd jij hebt getransporteerd hij heeft getransporteerd wij hebben getransporteerd jullie hebben getransporteerd zij hebben getransporteerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik transporteerde jij transporteerde hij transporteerde wij transporteerden jullie transporteerden zij transporteerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getransporteerd jij had getransporteerd hij had getransporteerd wij hadden getransporteerd jullie hadden getransporteerd zij hadden getransporteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal transporteren jij zult transporteren hij zal transporteren wij zullen transporteren jullie zullen transporteren zij zullen transporteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getransporteerd hebben jij zult getransporteerd hebben hij zal getransporteerd hebben wij zullen getransporteerd hebben jullie zullen getransporteerd hebben zij zullen getransporteerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou transporteren jij zou transporteren hij zou transporteren wij zouden transporteren jullie zouden transporteren zij zouden transporteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getransporteerd hebben jij zou getransporteerd hebben hij zou getransporteerd hebben wij zouden getransporteerd hebben jullie zouden getransporteerd hebben zij zouden getransporteerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
transporteer
|