NL: trachtenSynoniemen: trachten (erstreben): mikken, gericht werpen
DE: probieren, versuchen, suchen
EN: trachten (erstreben): aim at
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getracht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik tracht jij tracht hij tracht wij trachten jullie trachten zij trachten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getracht jij hebt getracht hij heeft getracht wij hebben getracht jullie hebben getracht zij hebben getracht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik trachtte jij trachtte hij trachtte wij trachtten jullie trachtten zij trachtten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getracht jij had getracht hij had getracht wij hadden getracht jullie hadden getracht zij hadden getracht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal trachten jij zult trachten hij zal trachten wij zullen trachten jullie zullen trachten zij zullen trachten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getracht hebben jij zult getracht hebben hij zal getracht hebben wij zullen getracht hebben jullie zullen getracht hebben zij zullen getracht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou trachten jij zou trachten hij zou trachten wij zouden trachten jullie zouden trachten zij zouden trachten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getracht hebben jij zou getracht hebben hij zou getracht hebben wij zouden getracht hebben jullie zouden getracht hebben zij zouden getracht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
tracht
|
DE: trachtenSynoniemen: probieren, versuchen, suchen
NL: trachten (erstreben): mikken, gericht werpen
EN: trachten (erstreben): aim at
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
getrachtet trachtend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich trachte du trachtest er trachtet wir trachten ihr trachtet sie; Sie trachten
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe getrachtet du hast getrachtet er hat getrachtet wir haben getrachtet ihr habt getrachtet sie; Sie haben getrachtet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich trachtete du trachtetest er trachtete wir trachteten ihr trachtetet sie; Sie trachteten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte getrachtet du hattest getrachtet er hatte getrachtet wir hatten getrachtet ihr hattet getrachtet sie; Sie hatten getrachtet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde trachten du wirst trachten er wird trachten wir werden trachten ihr werdet trachten sie; Sie werden trachten
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde getrachtet haben du wirst getrachtet haben er wird getrachtet haben wir werden getrachtet haben ihr werdet getrachtet haben sie; Sie werden getrachtet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich trachte du trachtest er trachte wir trachten ihr trachtet sie; Sie trachten
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe getrachtet du habest getrachtet er habe getrachtet wir haben getrachtet ihr habet getrachtet sie; Sie haben getrachtet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich trachtete du trachtetest er trachtete wir trachteten ihr trachtetet sie; Sie trachteten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte getrachtet du hättest getrachtet er hätte getrachtet wir hätten getrachtet ihr hättet getrachtet sie; Sie hätten getrachtet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde trachten du würdest trachten er würde trachten wir würden trachten ihr würdet trachten sie; Sie würden trachten
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde getrachtet haben du würdest getrachtet haben er würde getrachtet haben wir würden getrachtet haben ihr würdet getrachtet haben sie; Sie würden getrachtet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du trachte
|