NL: toeleggenSynoniemen: bijleggen
DE: das Zulegen, das Zusetzen
EN: the adding to
ES: el añadir
FR: le ajouts, la action de devoir ajouter tout en y perdant
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
toegelegd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik leg toe jij legt toe hij legt toe wij leggen toe jullie leggen toe zij leggen toe
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb toegelegd jij hebt toegelegd hij heeft toegelegd wij hebben toegelegd jullie hebben toegelegd zij hebben toegelegd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik legde toe jij legde toe hij legde toe wij legden toe jullie legden toe zij legden toe
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had toegelegd jij had toegelegd hij had toegelegd wij hadden toegelegd jullie hadden toegelegd zij hadden toegelegd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal toeleggen jij zult toeleggen hij zal toeleggen wij zullen toeleggen jullie zullen toeleggen zij zullen toeleggen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal toegelegd hebben jij zult toegelegd hebben hij zal toegelegd hebben wij zullen toegelegd hebben jullie zullen toegelegd hebben zij zullen toegelegd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou toeleggen jij zou toeleggen hij zou toeleggen wij zouden toeleggen jullie zouden toeleggen zij zouden toeleggen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou toegelegd hebben jij zou toegelegd hebben hij zou toegelegd hebben wij zouden toegelegd hebben jullie zouden toegelegd hebben zij zouden toegelegd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
leg toe
|