Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

toasten vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





DE: toasten

NL: toasten
DE: rösten, braten, Toastbrot machen

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
getoast
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik toast
jij toast
hij toast
wij toasten
jullie toasten
zij toasten
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb getoast
jij hebt getoast
hij heeft getoast
wij hebben getoast
jullie hebben getoast
zij hebben getoast
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik toastte
jij toastte
hij toastte
wij toastten
jullie toastten
zij toastten
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had getoast
jij had getoast
hij had getoast
wij hadden getoast
jullie hadden getoast
zij hadden getoast
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal toasten
jij zult toasten
hij zal toasten
wij zullen toasten
jullie zullen toasten
zij zullen toasten
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal getoast hebben
jij zult getoast hebben
hij zal getoast hebben
wij zullen getoast hebben
jullie zullen getoast hebben
zij zullen getoast hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou toasten
jij zou toasten
hij zou toasten
wij zouden toasten
jullie zouden toasten
zij zouden toasten
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou getoast hebben
jij zou getoast hebben
hij zou getoast hebben
wij zouden getoast hebben
jullie zouden getoast hebben
zij zouden getoast hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
toast


DE: toasten
Synoniemen: rösten, braten, Toastbrot machen
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
getoastet
toastend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich toaste
du toastest
er toastet
wir toasten
ihr toastet
sie; Sie toasten
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe getoastet
du hast getoastet
er hat getoastet
wir haben getoastet
ihr habt getoastet
sie; Sie haben getoastet
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich toastete
du toastetest
er toastete
wir toasteten
ihr toastetet
sie; Sie toasteten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte getoastet
du hattest getoastet
er hatte getoastet
wir hatten getoastet
ihr hattet getoastet
sie; Sie hatten getoastet
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde toasten
du wirst toasten
er wird toasten
wir werden toasten
ihr werdet toasten
sie; Sie werden toasten
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde getoastet haben
du wirst getoastet haben
er wird getoastet haben
wir werden getoastet haben
ihr werdet getoastet haben
sie; Sie werden getoastet haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich toaste
du toastest
er toaste
wir toasten
ihr toastet
sie; Sie toasten
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe getoastet
du habest getoastet
er habe getoastet
wir haben getoastet
ihr habet getoastet
sie; Sie haben getoastet
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich toastete
du toastetest
er toastete
wir toasteten
ihr toastetet
sie; Sie toasteten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte getoastet
du hättest getoastet
er hätte getoastet
wir hätten getoastet
ihr hättet getoastet
sie; Sie hätten getoastet
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde toasten
du würdest toasten
er würde toasten
wir würden toasten
ihr würdet toasten
sie; Sie würden toasten
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde getoastet haben
du würdest getoastet haben
er würde getoastet haben
wir würden getoastet haben
ihr würdet getoastet haben
sie; Sie würden getoastet haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du toaste

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/toasten

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English