NL: toastenDE: rösten, braten, Toastbrot machen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getoast
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik toast jij toast hij toast wij toasten jullie toasten zij toasten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getoast jij hebt getoast hij heeft getoast wij hebben getoast jullie hebben getoast zij hebben getoast
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik toastte jij toastte hij toastte wij toastten jullie toastten zij toastten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getoast jij had getoast hij had getoast wij hadden getoast jullie hadden getoast zij hadden getoast
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal toasten jij zult toasten hij zal toasten wij zullen toasten jullie zullen toasten zij zullen toasten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getoast hebben jij zult getoast hebben hij zal getoast hebben wij zullen getoast hebben jullie zullen getoast hebben zij zullen getoast hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou toasten jij zou toasten hij zou toasten wij zouden toasten jullie zouden toasten zij zouden toasten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getoast hebben jij zou getoast hebben hij zou getoast hebben wij zouden getoast hebben jullie zouden getoast hebben zij zouden getoast hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
toast
|
DE: toastenSynoniemen: rösten, braten, Toastbrot machen
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
getoastet toastend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich toaste du toastest er toastet wir toasten ihr toastet sie; Sie toasten
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe getoastet du hast getoastet er hat getoastet wir haben getoastet ihr habt getoastet sie; Sie haben getoastet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich toastete du toastetest er toastete wir toasteten ihr toastetet sie; Sie toasteten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte getoastet du hattest getoastet er hatte getoastet wir hatten getoastet ihr hattet getoastet sie; Sie hatten getoastet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde toasten du wirst toasten er wird toasten wir werden toasten ihr werdet toasten sie; Sie werden toasten
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde getoastet haben du wirst getoastet haben er wird getoastet haben wir werden getoastet haben ihr werdet getoastet haben sie; Sie werden getoastet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich toaste du toastest er toaste wir toasten ihr toastet sie; Sie toasten
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe getoastet du habest getoastet er habe getoastet wir haben getoastet ihr habet getoastet sie; Sie haben getoastet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich toastete du toastetest er toastete wir toasteten ihr toastetet sie; Sie toasteten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte getoastet du hättest getoastet er hätte getoastet wir hätten getoastet ihr hättet getoastet sie; Sie hätten getoastet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde toasten du würdest toasten er würde toasten wir würden toasten ihr würdet toasten sie; Sie würden toasten
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde getoastet haben du würdest getoastet haben er würde getoastet haben wir würden getoastet haben ihr würdet getoastet haben sie; Sie würden getoastet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du toaste
|