NL: tjilpenSynoniemen: kwinkeleren, sjilpen, getjilp, kwetteren
DE: tjilpen (kwinkeleren): zwitschern, trällern, zirpen
EN: tjilpen (kwinkeleren): chirp
ES: tjilpen (kwinkeleren): cantar, piar, trinar, gorjear, garlar
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getjilpt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik tjilp jij tjilpt hij tjilpt wij tjilpen jullie tjilpen zij tjilpen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getjilpt jij hebt getjilpt hij heeft getjilpt wij hebben getjilpt jullie hebben getjilpt zij hebben getjilpt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik tjilpte jij tjilpte hij tjilpte wij tjilpten jullie tjilpten zij tjilpten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getjilpt jij had getjilpt hij had getjilpt wij hadden getjilpt jullie hadden getjilpt zij hadden getjilpt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal tjilpen jij zult tjilpen hij zal tjilpen wij zullen tjilpen jullie zullen tjilpen zij zullen tjilpen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getjilpt hebben jij zult getjilpt hebben hij zal getjilpt hebben wij zullen getjilpt hebben jullie zullen getjilpt hebben zij zullen getjilpt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou tjilpen jij zou tjilpen hij zou tjilpen wij zouden tjilpen jullie zouden tjilpen zij zouden tjilpen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getjilpt hebben jij zou getjilpt hebben hij zou getjilpt hebben wij zouden getjilpt hebben jullie zouden getjilpt hebben zij zouden getjilpt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
tjilp
|