NL: tippenSynoniemen: tippen (anstoßen): aantikken, kloppen, aankloppen, tikken
DE: klopfen, pochen, anklopfen, ticken
EN: tippen (anstoßen): knock, tap, tap at
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getipt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik tip jij tipt hij tipt wij tippen jullie tippen zij tippen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getipt jij hebt getipt hij heeft getipt wij hebben getipt jullie hebben getipt zij hebben getipt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik tipte jij tipte hij tipte wij tipten jullie tipten zij tipten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getipt jij had getipt hij had getipt wij hadden getipt jullie hadden getipt zij hadden getipt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal tippen jij zult tippen hij zal tippen wij zullen tippen jullie zullen tippen zij zullen tippen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getipt hebben jij zult getipt hebben hij zal getipt hebben wij zullen getipt hebben jullie zullen getipt hebben zij zullen getipt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou tippen jij zou tippen hij zou tippen wij zouden tippen jullie zouden tippen zij zouden tippen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getipt hebben jij zou getipt hebben hij zou getipt hebben wij zouden getipt hebben jullie zouden getipt hebben zij zouden getipt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
tip
|
DE: tippenSynoniemen: klopfen, pochen, anklopfen, ticken
NL: tippen (anstoßen): aantikken, kloppen, aankloppen, tikken
EN: tippen (anstoßen): knock, tap, tap at
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
getippt tippend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich tippe du tippst er tippt wir tippen ihr tippt sie; Sie tippen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe getippt du hast getippt er hat getippt wir haben getippt ihr habt getippt sie; Sie haben getippt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich tippte du tipptest er tippte wir tippten ihr tipptet sie; Sie tippten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte getippt du hattest getippt er hatte getippt wir hatten getippt ihr hattet getippt sie; Sie hatten getippt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde tippen du wirst tippen er wird tippen wir werden tippen ihr werdet tippen sie; Sie werden tippen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde getippt haben du wirst getippt haben er wird getippt haben wir werden getippt haben ihr werdet getippt haben sie; Sie werden getippt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich tippe du tippest er tippe wir tippen ihr tippet sie; Sie tippen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe getippt du habest getippt er habe getippt wir haben getippt ihr habet getippt sie; Sie haben getippt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich tippte du tipptest er tippte wir tippten ihr tipptet sie; Sie tippten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte getippt du hättest getippt er hätte getippt wir hätten getippt ihr hättet getippt sie; Sie hätten getippt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde tippen du würdest tippen er würde tippen wir würden tippen ihr würdet tippen sie; Sie würden tippen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde getippt haben du würdest getippt haben er würde getippt haben wir würden getippt haben ihr würdet getippt haben sie; Sie würden getippt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du tippe
|