NL: thuishorenSynoniemen: behoren, horen
DE: hingehören
EN: belong
ES: pertenecer, ser de, formar parte de
FR: appartenir à, être à sa place, faire partie de, être de, avoir sa place
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
thuisgehoord
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik hoor thuis jij hoort thuis hij hoort thuis wij horen thuis jullie horen thuis zij horen thuis
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb thuisgehoord jij hebt thuisgehoord hij heeft thuisgehoord wij hebben thuisgehoord jullie hebben thuisgehoord zij hebben thuisgehoord
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik hoorde thuis jij hoorde thuis hij hoorde thuis wij hoorden thuis jullie hoorden thuis zij hoorden thuis
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had thuisgehoord jij had thuisgehoord hij had thuisgehoord wij hadden thuisgehoord jullie hadden thuisgehoord zij hadden thuisgehoord
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal thuishoren jij zult thuishoren hij zal thuishoren wij zullen thuishoren jullie zullen thuishoren zij zullen thuishoren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal thuisgehoord hebben jij zult thuisgehoord hebben hij zal thuisgehoord hebben wij zullen thuisgehoord hebben jullie zullen thuisgehoord hebben zij zullen thuisgehoord hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou thuishoren jij zou thuishoren hij zou thuishoren wij zouden thuishoren jullie zouden thuishoren zij zouden thuishoren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou thuisgehoord hebben jij zou thuisgehoord hebben hij zou thuisgehoord hebben wij zouden thuisgehoord hebben jullie zouden thuisgehoord hebben zij zouden thuisgehoord hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
hoor thuis
|