NL: testenSynoniemen: testen (erproben): onderzoeken, testen, beproeven, keuren
DE: prüfen, abchecken, auf die Probe stellen, ausprobieren, checken, durchchecken, einem Test unterziehen, einer Prüfung unterziehen, erproben
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getest
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik test jij test hij test wij testen jullie testen zij testen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getest jij hebt getest hij heeft getest wij hebben getest jullie hebben getest zij hebben getest
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik testte jij testte hij testte wij testten jullie testten zij testten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getest jij had getest hij had getest wij hadden getest jullie hadden getest zij hadden getest
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal testen jij zult testen hij zal testen wij zullen testen jullie zullen testen zij zullen testen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getest hebben jij zult getest hebben hij zal getest hebben wij zullen getest hebben jullie zullen getest hebben zij zullen getest hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou testen jij zou testen hij zou testen wij zouden testen jullie zouden testen zij zouden testen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getest hebben jij zou getest hebben hij zou getest hebben wij zouden getest hebben jullie zouden getest hebben zij zouden getest hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
test
|
DE: testenSynoniemen: prüfen, abchecken, auf die Probe stellen, ausprobieren, checken, durchchecken, einem Test unterziehen, einer Prüfung unterziehen, erproben
NL: testen (erproben): onderzoeken, testen, beproeven, keuren
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
getestet testend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich teste du testest er testet wir testen ihr testet sie; Sie testen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe getestet du hast getestet er hat getestet wir haben getestet ihr habt getestet sie; Sie haben getestet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich testete du testetest er testete wir testeten ihr testetet sie; Sie testeten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte getestet du hattest getestet er hatte getestet wir hatten getestet ihr hattet getestet sie; Sie hatten getestet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde testen du wirst testen er wird testen wir werden testen ihr werdet testen sie; Sie werden testen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde getestet haben du wirst getestet haben er wird getestet haben wir werden getestet haben ihr werdet getestet haben sie; Sie werden getestet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich teste du testest er teste wir testen ihr testet sie; Sie testen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe getestet du habest getestet er habe getestet wir haben getestet ihr habet getestet sie; Sie haben getestet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich testete du testetest er testete wir testeten ihr testetet sie; Sie testeten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte getestet du hättest getestet er hätte getestet wir hätten getestet ihr hättet getestet sie; Sie hätten getestet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde testen du würdest testen er würde testen wir würden testen ihr würdet testen sie; Sie würden testen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde getestet haben du würdest getestet haben er würde getestet haben wir würden getestet haben ihr würdet getestet haben sie; Sie würden getestet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du teste
|