NL: temperenSynoniemen: afremmen, matigen, dempen, stalen, harden
DE: mäßigen
EN: damp, reduce
ES: mitigar, moderar
FR: modérer, tempérer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getemperd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik temper jij tempert hij tempert wij temperen jullie temperen zij temperen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getemperd jij hebt getemperd hij heeft getemperd wij hebben getemperd jullie hebben getemperd zij hebben getemperd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik temperde jij temperde hij temperde wij temperden jullie temperden zij temperden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getemperd jij had getemperd hij had getemperd wij hadden getemperd jullie hadden getemperd zij hadden getemperd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal temperen jij zult temperen hij zal temperen wij zullen temperen jullie zullen temperen zij zullen temperen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getemperd hebben jij zult getemperd hebben hij zal getemperd hebben wij zullen getemperd hebben jullie zullen getemperd hebben zij zullen getemperd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou temperen jij zou temperen hij zou temperen wij zouden temperen jullie zouden temperen zij zouden temperen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getemperd hebben jij zou getemperd hebben hij zou getemperd hebben wij zouden getemperd hebben jullie zouden getemperd hebben zij zouden getemperd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
temper
|