NL: telescoperen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getelescopeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik telescopeer jij telescopeert hij telescopeert wij telescoperen jullie telescoperen zij telescoperen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getelescopeerd jij hebt getelescopeerd hij heeft getelescopeerd wij hebben getelescopeerd jullie hebben getelescopeerd zij hebben getelescopeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik telescopeerde jij telescopeerde hij telescopeerde wij telescopeerden jullie telescopeerden zij telescopeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getelescopeerd jij had getelescopeerd hij had getelescopeerd wij hadden getelescopeerd jullie hadden getelescopeerd zij hadden getelescopeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal telescoperen jij zult telescoperen hij zal telescoperen wij zullen telescoperen jullie zullen telescoperen zij zullen telescoperen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getelescopeerd hebben jij zult getelescopeerd hebben hij zal getelescopeerd hebben wij zullen getelescopeerd hebben jullie zullen getelescopeerd hebben zij zullen getelescopeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou telescoperen jij zou telescoperen hij zou telescoperen wij zouden telescoperen jullie zouden telescoperen zij zouden telescoperen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getelescopeerd hebben jij zou getelescopeerd hebben hij zou getelescopeerd hebben wij zouden getelescopeerd hebben jullie zouden getelescopeerd hebben zij zouden getelescopeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
telescopeer
|