NL: telenSynoniemen: aanplanten, fokken, genereren, planten, verbouwen, voortbrengen, kweken, veefokkerij, procreëren, opkweken, aankweken, voortplanting, voortbrenging, verbouw, teelt, fokkerij, fok, aanfok
DE: erzeugen, kultivieren, anbauen, züchten, hervorbringen, umbauen, ziehen, treiben, aufbauen, hegen, aufziehen, zeugen, umwandeln, heranziehen, umgestalten
EN: cultivate, breed, clone
ES: cultivar, plantar, fomentar, originar, generar, criar, engendrar
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geteeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik teel jij teelt hij teelt wij telen jullie telen zij telen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geteeld jij hebt geteeld hij heeft geteeld wij hebben geteeld jullie hebben geteeld zij hebben geteeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik teelde jij teelde hij teelde wij teelden jullie teelden zij teelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geteeld jij had geteeld hij had geteeld wij hadden geteeld jullie hadden geteeld zij hadden geteeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal telen jij zult telen hij zal telen wij zullen telen jullie zullen telen zij zullen telen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geteeld hebben jij zult geteeld hebben hij zal geteeld hebben wij zullen geteeld hebben jullie zullen geteeld hebben zij zullen geteeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou telen jij zou telen hij zou telen wij zouden telen jullie zouden telen zij zouden telen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geteeld hebben jij zou geteeld hebben hij zou geteeld hebben wij zouden geteeld hebben jullie zouden geteeld hebben zij zouden geteeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
teel
|