NL: tegenspartelenSynoniemen: protesteren, tegenstribbelen, verzetten
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
tegengesparteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spartel tegen jij spartelt tegen hij spartelt tegen wij spartelen tegen jullie spartelen tegen zij spartelen tegen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb tegengesparteld jij hebt tegengesparteld hij heeft tegengesparteld wij hebben tegengesparteld jullie hebben tegengesparteld zij hebben tegengesparteld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik spartelde tegen jij spartelde tegen hij spartelde tegen wij spartelden tegen jullie spartelden tegen zij spartelden tegen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had tegengesparteld jij had tegengesparteld hij had tegengesparteld wij hadden tegengesparteld jullie hadden tegengesparteld zij hadden tegengesparteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal tegenspartelen jij zult tegenspartelen hij zal tegenspartelen wij zullen tegenspartelen jullie zullen tegenspartelen zij zullen tegenspartelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal tegengesparteld hebben jij zult tegengesparteld hebben hij zal tegengesparteld hebben wij zullen tegengesparteld hebben jullie zullen tegengesparteld hebben zij zullen tegengesparteld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou tegenspartelen jij zou tegenspartelen hij zou tegenspartelen wij zouden tegenspartelen jullie zouden tegenspartelen zij zouden tegenspartelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou tegengesparteld hebben jij zou tegengesparteld hebben hij zou tegengesparteld hebben wij zouden tegengesparteld hebben jullie zouden tegengesparteld hebben zij zouden tegengesparteld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spartel tegen
|