NL: tegenscoren U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
tegengescoord
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik scoor tegen jij scoort tegen hij scoort tegen wij scoren tegen jullie scoren tegen zij scoren tegen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb tegengescoord jij hebt tegengescoord hij heeft tegengescoord wij hebben tegengescoord jullie hebben tegengescoord zij hebben tegengescoord
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik scoorde tegen jij scoorde tegen hij scoorde tegen wij scoorden tegen jullie scoorden tegen zij scoorden tegen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had tegengescoord jij had tegengescoord hij had tegengescoord wij hadden tegengescoord jullie hadden tegengescoord zij hadden tegengescoord
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal tegenscoren jij zult tegenscoren hij zal tegenscoren wij zullen tegenscoren jullie zullen tegenscoren zij zullen tegenscoren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal tegengescoord hebben jij zult tegengescoord hebben hij zal tegengescoord hebben wij zullen tegengescoord hebben jullie zullen tegengescoord hebben zij zullen tegengescoord hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou tegenscoren jij zou tegenscoren hij zou tegenscoren wij zouden tegenscoren jullie zouden tegenscoren zij zouden tegenscoren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou tegengescoord hebben jij zou tegengescoord hebben hij zou tegengescoord hebben wij zouden tegengescoord hebben jullie zouden tegengescoord hebben zij zouden tegengescoord hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
scoor tegen
|