FR: tapoter| Participe Passé |
|
tapoté
|
| Indicatif Présent |
| ott, als in `ik ga` |
je tapote tu tapotes il; elle tapote nous tapotons vous tapotez ils; elles tapotent
|
| Indicatif Passé Composé |
| Passé composé = voltooid tegenwoordige tijd. Als in `ik ben gegaan`. Le passé composé wordt gebruikt voor alle op zichzelf staande feiten, nieuwe, éénmalige gebeurtenissen, alle afgesloten handelingen. |
j`ai tapoté tu as tapoté il; elle a tapoté nous avons tapoté vous avez tapoté ils; elles ont tapoté
|
| Indicatif Imparfait |
| ovt, als in `ik ging`. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was. |
je tapotais tu tapotais il; elle tapotait nous tapotions vous tapotiez ils; elles tapotaient
|
| Indicatif Plus-Que-Parfait |
| Plus-que-parfait= voltooid verleden tijd. Als in `ik was gegaan` |
j`avais tapoté tu avais tapoté il; elle avait tapoté nous avions tapoté vous aviez tapoté ils; elles avaient tapoté
|
| Indicatif Passé Simple |
| vtt, als in `ik ging`. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
je tapotai tu tapotas il; elle tapota nous tapotâmes vous tapotâtes ils; elles tapotèrent
|
| Indicatif Passé Antérieur |
| vvtt, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`eus tapoté tu eus tapoté il; elle eut tapoté nous eûmes tapoté vous eûtes tapoté ils; elles eurent tapoté
|
| Indicatif Futur Simple |
| ottt, als in `ik zal gaan` |
je tapoterai tu tapoteras il; elle tapotera nous tapoterons vous tapoterez ils; elles tapoteront
|
| Indicatif Futur Antérieur |
| vttt, als in `Ik zal gegaan zijn` |
j`aurai tapoté tu auras tapoté il; elle aura tapoté nous aurons tapoté vous aurez tapoté ils; elles auront tapoté
|
| Subjonctif Présent |
| Aanvoegende wijs, heden. Men gebruikt het subjonctif in een onderschikkende bijzin die begint met `que`, na werkwoorden die een gevoel weergeven: être content = blij zijn, être triste= bedroefd zijn |
je tapote tu tapotes il; elle tapote nous tapotions vous tapotiez ils; elles tapotent
|
| Subjonctif Passé |
| Aanvoegende wijs, verleden. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`aie tapoté tu aies tapoté il; elle ait tapoté nous ayons tapoté vous ayez tapoté ils; elles aient tapoté
|
| Subjonctif Imparfait |
| Aanvoegende wijs. Vooral gebruikt in de schrijftaal. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was |
je tapotasse tu tapotasses il; elle tapotât nous tapotassions vous tapotassiez ils; elles tapotassent
|
| Subjonctif Plus-Que-Parfait |
| Aanvoegende wijs, voltooid deelwoord. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`eusse tapoté tu eusses tapoté il; elle eût tapoté nous eussions tapoté vous eussiez tapoté ils; elles eussent tapoté
|
| Conditionnel Présent |
| ovtt. Met de conditionnel présent kan je een voorwaarde uitdrukken, als in `ik zou gaan` |
je tapoterais tu tapoterais il; elle tapoterait nous tapoterions vous tapoteriez ils; elles tapoteraient
|
| Conditionnel Passé |
| vvtt. De conditionnel passé gebruik je om een voorwaarde in het verleden te stellen, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`aurais tapoté tu aurais tapoté il; elle aurait tapoté nous aurions tapoté vous auriez tapoté ils; elles auraient tapoté
|
| Impératif Présent |
| gebiedende wijs als in `Ga!` |
(tu) tapote, (nous) tapotons (vous) tapotez
|