NL: tanken U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getankt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik tank jij tankt hij tankt wij tanken jullie tanken zij tanken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getankt jij hebt getankt hij heeft getankt wij hebben getankt jullie hebben getankt zij hebben getankt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik tankte jij tankte hij tankte wij tankten jullie tankten zij tankten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getankt jij had getankt hij had getankt wij hadden getankt jullie hadden getankt zij hadden getankt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal tanken jij zult tanken hij zal tanken wij zullen tanken jullie zullen tanken zij zullen tanken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getankt hebben jij zult getankt hebben hij zal getankt hebben wij zullen getankt hebben jullie zullen getankt hebben zij zullen getankt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou tanken jij zou tanken hij zou tanken wij zouden tanken jullie zouden tanken zij zouden tanken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getankt hebben jij zou getankt hebben hij zou getankt hebben wij zouden getankt hebben jullie zouden getankt hebben zij zouden getankt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
tank
|
DE: tanken| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
getankt tankend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich tanke du tankst er tankt wir tanken ihr tankt sie; Sie tanken
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe getankt du hast getankt er hat getankt wir haben getankt ihr habt getankt sie; Sie haben getankt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich tankte du tanktest er tankte wir tankten ihr tanktet sie; Sie tankten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte getankt du hattest getankt er hatte getankt wir hatten getankt ihr hattet getankt sie; Sie hatten getankt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde tanken du wirst tanken er wird tanken wir werden tanken ihr werdet tanken sie; Sie werden tanken
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde getankt haben du wirst getankt haben er wird getankt haben wir werden getankt haben ihr werdet getankt haben sie; Sie werden getankt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich tanke du tankest er tanke wir tanken ihr tanket sie; Sie tanken
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe getankt du habest getankt er habe getankt wir haben getankt ihr habet getankt sie; Sie haben getankt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich tankte du tanktest er tankte wir tankten ihr tanktet sie; Sie tankten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte getankt du hättest getankt er hätte getankt wir hätten getankt ihr hättet getankt sie; Sie hätten getankt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde tanken du würdest tanken er würde tanken wir würden tanken ihr würdet tanken sie; Sie würden tanken
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde getankt haben du würdest getankt haben er würde getankt haben wir würden getankt haben ihr würdet getankt haben sie; Sie würden getankt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du tanke
|