NL: tandenSynoniemen: uittanden, gebit
DE: kerben
EN: jag
ES: hacer dientes
FR: endenter
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getand
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik tand jij tandt hij tandt wij tanden jullie tanden zij tanden
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik ben getand jij bent getand hij is getand wij zijn getand jullie zijn getand zij zijn getand
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik tandde jij tandde hij tandde wij tandden jullie tandden zij tandden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik was getand jij was getand hij was getand wij waren getand jullie waren getand zij waren getand
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal tanden jij zult tanden hij zal tanden wij zullen tanden jullie zullen tanden zij zullen tanden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getand zijn jij zult getand zijn hij zal getand zijn wij zullen getand zijn jullie zullen getand zijn zij zullen getand zijn
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou tanden jij zou tanden hij zou tanden wij zouden tanden jullie zouden tanden zij zouden tanden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getand zijn jij zou getand zijn hij zou getand zijn wij zouden getand zijn jullie zouden getand zijn zij zouden getand zijn
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
tand
|