NL: talmenSynoniemen: aarzelen, dralen, treuzelen, zeiken, zeuren, weifelen, dubben, zaniken, teuten, hannesen, druilen, drentelen
EN: procrastinate, dawdle, linger, tarry, retard, saunter, delay, put off
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
getalmd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik talm jij talmt hij talmt wij talmen jullie talmen zij talmen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb getalmd jij hebt getalmd hij heeft getalmd wij hebben getalmd jullie hebben getalmd zij hebben getalmd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik talmde jij talmde hij talmde wij talmden jullie talmden zij talmden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had getalmd jij had getalmd hij had getalmd wij hadden getalmd jullie hadden getalmd zij hadden getalmd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal talmen jij zult talmen hij zal talmen wij zullen talmen jullie zullen talmen zij zullen talmen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal getalmd hebben jij zult getalmd hebben hij zal getalmd hebben wij zullen getalmd hebben jullie zullen getalmd hebben zij zullen getalmd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou talmen jij zou talmen hij zou talmen wij zouden talmen jullie zouden talmen zij zouden talmen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou getalmd hebben jij zou getalmd hebben hij zou getalmd hebben wij zouden getalmd hebben jullie zouden getalmd hebben zij zouden getalmd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
talm
|