NL: sukkelenSynoniemen: sjokken
EN: sukkelen (kwakkelen): be ailing, be sickly
FR: sukkelen (kwakkelen): avoir une santé chancelante
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesukkeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sukkel jij sukkelt hij sukkelt wij sukkelen jullie sukkelen zij sukkelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesukkeld jij hebt gesukkeld hij heeft gesukkeld wij hebben gesukkeld jullie hebben gesukkeld zij hebben gesukkeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sukkelde jij sukkelde hij sukkelde wij sukkelden jullie sukkelden zij sukkelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesukkeld jij had gesukkeld hij had gesukkeld wij hadden gesukkeld jullie hadden gesukkeld zij hadden gesukkeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal sukkelen jij zult sukkelen hij zal sukkelen wij zullen sukkelen jullie zullen sukkelen zij zullen sukkelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesukkeld hebben jij zult gesukkeld hebben hij zal gesukkeld hebben wij zullen gesukkeld hebben jullie zullen gesukkeld hebben zij zullen gesukkeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou sukkelen jij zou sukkelen hij zou sukkelen wij zouden sukkelen jullie zouden sukkelen zij zouden sukkelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesukkeld hebben jij zou gesukkeld hebben hij zou gesukkeld hebben wij zouden gesukkeld hebben jullie zouden gesukkeld hebben zij zouden gesukkeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sukkel
|