NL: sudderenSynoniemen: smoren, stoffen, pruttelen
EN: sudderen (op vuur pruttelen): stew
FR: sudderen (op vuur pruttelen): gronder, mijoter, mitonner, bougonner, grommeler, étouffer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesudderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sudder jij suddert hij suddert wij sudderen jullie sudderen zij sudderen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesudderd jij hebt gesudderd hij heeft gesudderd wij hebben gesudderd jullie hebben gesudderd zij hebben gesudderd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sudderde jij sudderde hij sudderde wij sudderden jullie sudderden zij sudderden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesudderd jij had gesudderd hij had gesudderd wij hadden gesudderd jullie hadden gesudderd zij hadden gesudderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal sudderen jij zult sudderen hij zal sudderen wij zullen sudderen jullie zullen sudderen zij zullen sudderen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesudderd hebben jij zult gesudderd hebben hij zal gesudderd hebben wij zullen gesudderd hebben jullie zullen gesudderd hebben zij zullen gesudderd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou sudderen jij zou sudderen hij zou sudderen wij zouden sudderen jullie zouden sudderen zij zouden sudderen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesudderd hebben jij zou gesudderd hebben hij zou gesudderd hebben wij zouden gesudderd hebben jullie zouden gesudderd hebben zij zouden gesudderd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sudder
|