NL: stuttenSynoniemen: draag, dragen, ondersteunen, schoren, schragen, steunen, schoorbalken, ontspruiten
EN: underpin, support
ES: apoyar, apuntalar
FR: arc-bouter, étayer, chevaler, contrebouter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gestut
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik stut jij stut hij stut wij stutten jullie stutten zij stutten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gestut jij hebt gestut hij heeft gestut wij hebben gestut jullie hebben gestut zij hebben gestut
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stutte jij stutte hij stutte wij stutten jullie stutten zij stutten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gestut jij had gestut hij had gestut wij hadden gestut jullie hadden gestut zij hadden gestut
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal stutten jij zult stutten hij zal stutten wij zullen stutten jullie zullen stutten zij zullen stutten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gestut hebben jij zult gestut hebben hij zal gestut hebben wij zullen gestut hebben jullie zullen gestut hebben zij zullen gestut hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou stutten jij zou stutten hij zou stutten wij zouden stutten jullie zouden stutten zij zouden stutten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gestut hebben jij zou gestut hebben hij zou gestut hebben wij zouden gestut hebben jullie zouden gestut hebben zij zouden gestut hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
stut
|