NL: stuitenSynoniemen: beletten, irriteren, stuiteren, tegenhouden, terugkaatsen, vastlopen, vinden, stuitjes, stoten, schokken, fschijnen, botsen, weerkaatsen, terugstoten, reflecteren, echoën
DE: stuiten (terugkaatsen): resonieren, erhallen, widerhallen, echoen
EN: stuiten (terugkaatsen): reverberate, reflect, strike back, echo
ES: stuiten (terugkaatsen): repercutir, reflejar
FR: stuiten (terugkaatsen): retentir, résonner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gestuit
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik stuit jij stuit hij stuit wij stuiten jullie stuiten zij stuiten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gestuit jij hebt gestuit hij heeft gestuit wij hebben gestuit jullie hebben gestuit zij hebben gestuit
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stuitte jij stuitte hij stuitte wij stuitten jullie stuitten zij stuitten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gestuit jij had gestuit hij had gestuit wij hadden gestuit jullie hadden gestuit zij hadden gestuit
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal stuiten jij zult stuiten hij zal stuiten wij zullen stuiten jullie zullen stuiten zij zullen stuiten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gestuit hebben jij zult gestuit hebben hij zal gestuit hebben wij zullen gestuit hebben jullie zullen gestuit hebben zij zullen gestuit hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou stuiten jij zou stuiten hij zou stuiten wij zouden stuiten jullie zouden stuiten zij zouden stuiten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gestuit hebben jij zou gestuit hebben hij zou gestuit hebben wij zouden gestuit hebben jullie zouden gestuit hebben zij zouden gestuit hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
stuit
|