NL: strooienSynoniemen: zaaien, storten
DE: strohern
EN: straw, out of straw
ES: de pajizo
FR: de paille, de chaume
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gestrooid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik strooi jij strooit hij strooit wij strooien jullie strooien zij strooien
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gestrooid jij hebt gestrooid hij heeft gestrooid wij hebben gestrooid jullie hebben gestrooid zij hebben gestrooid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik strooide jij strooide hij strooide wij strooiden jullie strooiden zij strooiden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gestrooid jij had gestrooid hij had gestrooid wij hadden gestrooid jullie hadden gestrooid zij hadden gestrooid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal strooien jij zult strooien hij zal strooien wij zullen strooien jullie zullen strooien zij zullen strooien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gestrooid hebben jij zult gestrooid hebben hij zal gestrooid hebben wij zullen gestrooid hebben jullie zullen gestrooid hebben zij zullen gestrooid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou strooien jij zou strooien hij zou strooien wij zouden strooien jullie zouden strooien zij zouden strooien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gestrooid hebben jij zou gestrooid hebben hij zou gestrooid hebben wij zouden gestrooid hebben jullie zouden gestrooid hebben zij zouden gestrooid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
strooi
|