NL: strijkenSynoniemen: gladstrijken, neerhalen, opstrijken, persen, scheren, uitstrijken, vegen, schrapping, doorhaling
DE: bügeln, glätten, ausbügeln, glattbügeln
EN: iron
ES: planchar, cubrir, rozar, alisar, arriar
FR: déplisser, repasser, défroisser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gestreken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik strijk jij strijkt hij strijkt wij strijken jullie strijken zij strijken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gestreken jij hebt gestreken hij heeft gestreken wij hebben gestreken jullie hebben gestreken zij hebben gestreken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik streek jij streek hij streek wij streken jullie streken zij streken
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gestreken jij had gestreken hij had gestreken wij hadden gestreken jullie hadden gestreken zij hadden gestreken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal strijken jij zult strijken hij zal strijken wij zullen strijken jullie zullen strijken zij zullen strijken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gestreken hebben jij zult gestreken hebben hij zal gestreken hebben wij zullen gestreken hebben jullie zullen gestreken hebben zij zullen gestreken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou strijken jij zou strijken hij zou strijken wij zouden strijken jullie zouden strijken zij zouden strijken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gestreken hebben jij zou gestreken hebben hij zou gestreken hebben wij zouden gestreken hebben jullie zouden gestreken hebben zij zouden gestreken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
strijk
|